Laatste dagen in Borneo
Na het duiken reisden we door naar Sandakan, van waaruit we een uitstapje maakten naar een Orang Oetan Sanctuary. Een plek waar je orang oetans soort-van-in-het-wild kunt zien. Ze zijn er vrij om te gaan, maar ze worden dagelijks op vaste tijden
gevoed. Veel apen komen daarop af en dus ook veel toeristen, waaronder wij!
Nadat we ons lijven nog wat rust hadden gegund (ongelofelijk wat voor een invloed het drukverschil van het duiken op je lichaam heeft!) gingen we voor drie dagen naar een homestay in Bilit, een piepklein dorpje dat aan een rivier ligt die dwars door het regenwoud stroomt. We sliepen bij het dorpshoofd, communiceren was een tikje lastig, maar toch tof om bij zijn familie te verblijven.
Het dorpshoofd vroeg me of ik al een kindje had en daarna of Walter en ik getrouwd waren. We sliepen samen op een kamer en ik was niet zeker van het beleid t.o.v. ongehuwde personen… Ik dacht dat “not yet” een mooi antwoord zou zijn tussen de waarheid
en liegen in. Ik was er alleen niet op bedacht dat er ook vervolgvragen kwamen, wanneer we dan gingen trouwen enzo. Oepsie!
Onze dagen (en sommige avonden) werden gevuld met boottochten over die rivier en wandelingen door het regenwoud, met als voornamelijk doel om beesten te spotten. We hadden het geluk dat we met drie Belgische biologen op pad werden gestuurd, we hoefden dus enkel maar te kijken in de richting die zij aanwezen. We kregen dan een minilezing over hoe de dieren heetten en wat hun kenmerken waren, ideaal. Op de tweede dag ging de motor van ons bootje
kapot, daar zaten we dan in the middle of nowhere met zo ongeveer nul passerende bootjes..! Praktisch ingesteld als we waren hebben we uitgebreid bediscussieerd wie van ons vijven als eerste zou moeten worden opgegeten als we om zouden komen van de honger, haha! Na zo’n twee uur proberen de motor weer aan de praat te krijgen (de gids), Vlaams en Nederlands vergelijken (wij) en Kinderen voor Kinderen zingen (Gitta en ik) gaven we de moed op en trad plan B in werking: ons laten drijven op de stroming van de rivier. Het zou ons ongeveer zes uur gekost hebben, als we niet het geluk hadden gehad dat er een visser voorbij kwam die ons met zijn bootje een flink stuk vooruit hielp.
De laatste dag brak aan en we hadden al veel verschillende apensoorten gezien, maar nog geen orang oetans – voor veel mensen een van de voornaamste redenen om naar Borneo te gaan. Het geluk was wederom met ons, na een prachtige tocht door het regenwoud kwamen we (op de laatste 200 meter!) tegen drie orang oetans tegen. Wisten jullie dat ze elke dag een nieuw nest bouwen? Ik ook niet!
Een 5 uur durende dodenrit (niet overdreven!) bracht ons naar Kota Kinabalu. De chauffeur had een snelheid waar je u tegen zegt, op scherpe haarspeldbochten in de bergen. We moesten ons op momenten letterlijk vastgrijpen aan de stoel om te blijven zitten. Andere voertuigen werden
ingehaald alsof het hele begrip “tegenliggers” niet bestaat in Borneo. Lang leve de iPod voor de afleiding! In Kota Kinabalu namen we een hotel, wel lekker om even wat luxe te hebben! Het universum heeft besloten om mij langzaam al een beetje voor te bereiden op de terugkomst, we waren namelijk omringd door Nederlanders.
Waar we erg van geschrokken zijn, was de hoeveelheid palmbomen die we onderweg zagen. Grote delen oerwoud op Borneo zijn gekapt voor plantages die palmolie produceren. Dieren worden in hun bestaan bedreigd, maar na het lezen van dit artikel zagen
we dat er nog veel meer aan de hand is. Het is werkelijk ultiem smerig aan alle kanten.
Alle foto’s (behalve die in de bus) gemaakt tijdens de homestay. Walter heeft trouwens een übercoole video gemaakt van het duiken in Sipadan, klik hierrr!
Kort stukje vandaag – ik ga nu mijn tas inpakken, voor de laatste keer…!
Op zoek naar Tarzan & Jane
Na een weekje met pap en mam ging ik weer eventjes mijn eigen weg richting Phnom Penh (de hoofdstad van Cambodja). Daar ontmoette ik Elma via couchsurfing, ze kon me niet hosten maar wilde wel graag afspreken. Ze komt oorspronkelijk uit de Filipijnen en woont sinds 7 jaar in Cambodja met haar Duitse man. Ze had haar eigen prive chauffeur die ons in een hele dikke auto van de ene naar de andere bar reed. Cool!
Ik bleef maar een nachtje in Phnom Penh, ik zie de stad later wel als ik er met mijn ouders heb afgesproken. Ik nam de bus naar Kratie, waar ik Mardi uit Australie ontmoette. Samen hebben we een daguitstapje naar Kampi gemaakt, waar je de zeldzame Irraway dolfijnen kunt bekijken. De dolfijnen waren niet erg fotogeniek, maar ik heb wel een mooie foto van de omgeving voor jullie.
Vanuit hier ging ik weer verder naar Ban Lung, in het noordoosten van Cambodja. De man die me het busticket verkocht, was zo vriendelijk me erop te wijzen dat in het minibusje 4 mensen worden geplaatst op elke rij. En elke rij heeft 3 stoelen. Dus.
Het was een reis van zes uur en ik zag het niet zitten om met mijn Europese maten een stoel te moeten delen, maar gelukkig bracht mijn Europese portemonnee de oplossing: normaal gesproken zitten op de stoel naast de chauffeur 2 passagiers en ik heb dus heel decadent allebei die plaatsen gekocht. Het kostte me een overweldigende $12 in plaats van de normale $8 (en een snelle verklaring om de jaloerse blikken van de westerse medereizigers te neutraliseren), maar dat was het meer dan waard!
Het oosten van Cambodja is minder toeristisch en daarom ook minder ontwikkeld dan de steden waar ik tot nu toe was: koud water, weinig geasfalteerde wegen en de hygiënestandaard ligt nog een trapje lager.
Onder begeleiding van een gids en een ranger heb ik met vijf andere toeristen een tweedaagse trekking door de jungle gedaan, dat was super! Eten werd onderweg bereid (in het water van de rivier, gelukkig wel lang gekookt…) en slapen deden we in hangmatten met ingebouwde muskietennetten. Overdag was het te warm, ‘s nachts was het te koud, maar het was super! De groep was heel erg gezellig en de jungle was heel mooi.
De kinderen in Cambodja spreken bijna allemaal goed Engels, ze zwaaien altijd vrolijk “Hellooooo!†als er buitenlanders langslopen. Je krijgt er vanzelf goede zin van. Op een avond zat ik in het guesthouse in mijn massageboek te werken toen jongetje bij me kwam zitten (later hoorde ik dat hij het 11-jarige neefje van de manager was), die massages blijkbaar errug interessant vond. Hij liet me zien (en voelen!) wat hij al wist en wilde dat ik hem nieuwe technieken leerde. Die werden vervolgens uitgebreid op mij uitgeprobeerd. Later was ik bezig een massage te geven aan een meisje van het personeel, het neefje kwam erbij en oefende zijn nieuwe technieken op zijn 6-jarige broertje. Ik had niet de indruk dat het broertje dat erg op prijs stelde… het ging er wat minder gevoelig aan toe dan toen hij op mij oefende…!

Cambodja is het eerste land waar ik het soms echt vies vind. In de bus terug naar Phnom Penh zat er gewoon schimmel op de gordijnen. Erg fijne gedachte dat die door de airconditioning ook nog lekker door de hele bus wordt geblazen…. (nee, dan liever in een pickup truck, waar de wind het rode zand door je haren waait, zoals op de foto!)


